Tiffany Dop

Tjibbe Veldkamp
Geboren: 1962 in Groningen
Jonge Jurytitel: Tiffany Dop (Lemniscaat, 2009)

Tjibbe Veldkamp studeerde psychologie in Groningen. Hij ging in 1993 bij de Donald Duck werken en combineerde dat met het schrijven van kinderboeken. Sinds 2001 is hij fulltime schrijver. Tjibbe woont met zijn vrouw en twee kinderen bij een speeltuin in hartje Amsterdam.
De meeste boeken die Tjibbe Veldkamp heeft geschreven zijn prentenboeken. Tiffany Dop is één van zijn boeken voor jongeren.  Tiffany Dop is geen lieverdje. Ze is dertien en groeit op in moeilijke omstandigheden. Haar platpratende moeder Sheila klust thuis bij als hoer, troggelt haar kinderen geld af en kijkt verder niet naar ze om. Alsof dit nog niet erg genoeg is, staan haar broers ook nog eens bekend als de terroristen van de buurt. Hierdoor is ze gewend voor zichzelf op te komen en als dat vechten betekent, dan moet dat maar. Dat ze tussen gesjoemel met geld, friet en rondslingerende pornodvd’s leeft, en daarbij ook nog eens een aantal keer wordt aangerand door ‘vrienden’ van haar moeder, boeit haar niet.
Dit verandert als ze op een dag een baby in handen gedrukt krijgt. Ze er helemaal van ondersteboven! Tiffany ervaart iets wat ze niet kent: “Ik voelde me vreemd. Een beetje huilerig, maar op een prettige manier. (...) Ineens snapte ik wat ik had. Ik voelde liefde.” Vanaf dat hemelse moment wil ze maar één ding en dat is een ordelijk leven en onvoorwaardelijke liefde. Daarvoor moet ze dan wel eerst even zwanger worden.
De zoektocht naar een vader begint, het liefst een onbekende die schoon is en er redelijk uit ziet. Maar het vinden van een geschikte vader blijkt nog niet zo makkelijk…

Fragment: “Ik wachtte tot ik op m’n vruchtbaarst zou zijn. Nog vijf dagen. Nog vier. Nog drie. Danny en Bruce lieten zich niet zien. De flat leek ineens twee keer zo ruim. Er was plaats op de banken. En het was stil in huis, want de tv stond minder vaak aan. En in mijn kamer werd niet gesnurkt of geboerd en er werden geen scheten gelaten.
Ik vroeg Sheila of ze wist waar Danny en Bruce uithingen.
‘Zai moak’n Waailap kop maal.’
‘Waarom komen ze niet thuis?’
‘’k Wait nait.’
Sheila sprak alleen Gronings en deed opvallend vriendelijk. Normaal was ze zich er nauwelijks van bewust dat ik bestond. Nu vroeg ze ’s ochtends wat ik die dag ging doen. De eerste keer dacht ik dat ze me in de zeik nam, maar ze zei dat ze gewoon benieuwd was. Daar was ik behoorlijk blij mee. Ze deed aardig! ‘Ik denk dat ik wat ga lezen in de bibliotheek,’ zei ik toen maar.
‘Da’s ja mooi,’ zei ze.
’s Avonds vroeg ze of ik een leuke dag gehad had.
‘Heel leuk,’zei ik. ‘Dank je.’
Misschien vond ze het heerlijk dat Danny en Bruce haar even niet voor de voeten liepen. Of misschien was zij ook aan het veranderen. Werden we allemaal aardige mensen! Helemaal begrijpen deed ik het niet. Maar het was niet verkeerd. En mijn baby zou alles nog beter maken.”

Citaat: “Eigenlijk wilde ik helemaal geen schrijver worden. Iemand gaf me een schriftje en een pen en zei: 'Ga jij maar eens een kinderboek schrijven.'Zo is het allemaal begonnen.”